Select Language :

Bron: De Standaard

Het PAS ontfermt zich al geruime tijd over de Antwerpse straatkinderen. Maar het historisch pand waar de organisatie in huist, is verkocht. Het PAS heeft inmiddels een onderkomen gevonden, maar dat is maar voorlopig. “Het is niet omdat de straatkinderen de fase van het kind-zijn hebben overgeslagen, dat ze niet af en toe behoefte hebben om even een zorgeloos kind te zijn.” Margot Vanderstraeten.

“Hier in het PAS heb ik een goede plek gevonden. Bij die plek horen natuurlijk mensen, en bij mensen horen regels. Die dingen leer je hier, en dat vind ik echt belangrijk. Ik weet dat niet elk straatkind er zoals ik over denkt. Hier lopen gasten rond voor wie alleen de wet van de sterkste telt. Ze dragen messen en schrikken nergens voor terug. Ze bestelen zelfs hun vrienden. Daarom is het goed dat dit project bestaat. Als die gasten hier zijn, zijn ze in elk geval nergens anders. Wie hier eten en drinken krijgt, hoeft niet op een andere manier aan zijn basisbehoeften te voldoen. Wie met deze groep mee gaat zwemmen, wast zich minstens een keer per week.”

“Het is alleen jammer dat we moeten verhuizen. Net nu de meeste jongens zich hier een beetje thuis voelen. Vanaf volgende week begint de verhuizing naar de Prekersstraat, in de Sint-Andrieswijk. Ik denk dat het lang zal duren vooraleer de jongens die nieuwe plek als hun ruimte gaan aanvoelen.”

 

ALLES IS BETER DAN TERUGKEREN NAAR KOSOVO

 

Dirk, straathoekwerker stationsbuurt en stadspark van Antwerpen

“Ik breng al zes jaar gemiddeld zestig procent van mijn werkdagen en -nachten op straat door. Ik wandel, ga op een bankje zitten, loop een café in en uit en spreek met iedereen die met me wil spreken. Behalve met klanten die op zoek zijn naar seks. Want als je voortdurend door die buurten slentert, denken de klanten dat je je “waren” aanbiedt.”

“Ik weet niet wie de klanten zijn. Ik weet alleen dat vers jong vlees goed in de markt ligt en dat heel veel jongens daar niet zo’n probleem mee hebben. Het is voor hen makkelijk geld verdienen. Je lichaam levert meer op dan de verkoop van bloemen. Bovendien hoef je niet te smeken of iemand een roos wil kopen en word je niet weggejaagd door een café- of restauranthouder of door zijn klanten. De lente is bovendien een winstgevende periode: als de natuur ontluikt, komen ook de hormonen weer op gang en stijgt de vraag. In tegenstelling tot Kerstmis, bijvoorbeeld, want dan voelen de brave huisvaders meer schroom om een homoseksuele scheve schaats te rijden.”

“Je zult weinig Roma-jongens vinden die toegeven dat ze in de prostitutie zitten. Homoseksualiteit is taboe. Al hoor je ze soms wel onderling stoere praat verkopen en wisselen ze nu en dan ervaringen uit. Standjes die klanten hebben gevraagd, bijvoorbeeld. Sommige jongens die zich hier vroeger prostitueerden, behoren nu zelf tot de klanten. Van hen leren de gasten veel. Want sommigen wisten absoluut niet hoe je een klant moet behagen. Het is lang niet altijd gewoon afrukken en wegwezen. Prostitutie is meer dan seks. Het komt geregeld voor dat de jongens bij hun klanten blijven slapen. Of dat die hen ergens naartoe brengt.”

“Als straathoekwerker is het ook niet mijn bedoeling die jongens uit de prostitutie te halen. De goede boodschap verkondigen heeft absoluut geen zin, integendeel zelfs. Maar ik geef ze wel condooms. Want ook dat is een probleem: leer die gasten maar eens wat seksueel overdraagbare aandoeningen zijn. Ze willen ook niet dat je hen rechtstreeks aanspreekt over hun seksuele contacten met mannen. Je moet doen alsof je hen voorzichtigheid voor seks met vrouwen bij wilt brengen. Bovendien kennen ze de lokroep van het geld: het is voor hen niet eenvoudig om tegen een klant die meer biedt voor seks zonder condoom, nee te zeggen.”

“Natuurlijk proberen ze me voortdurend te provoceren. Ze willen me masseren of beginnen zich voor mijn neus te masturberen. Ze zijn zeker vlugger geslachtsrijp dan wij. En toch: het is niet omdat ze de vase van het kind-zijn hebben overgeslagen, dat ze niet af en toe behoefte hebben om even een zorgeloos kind te zijn. Als ik tijd maak om doodeenvoudig tikkertje te spelen, zie je ze daarvan genieten. Gewoon achter elkaar aanrennen als een kind, dat vinden ze soms zalig. Ze kunnen ook ontzettend genieten van een dagje naar het pretpark.”

“Ik besef heel goed dat die gasten als zand zijn dat door mijn vingers glijdt. Hun toekomst is voorspelbaar. De kans is groot dat ze in de gesloten instelling in Mol belanden, opgesloten onder het maatschappelijk welluidend mom van “bescherming tegen de prostitutie”. Dat is uiteraard nonsens, want de overheid doet niets aan de prostitutie. Ze schept voor deze jongens geen alternatieven.”

“Het PAS levert heel goed werk. De Oost-Europese straatkinderen krijgen er een gezicht en een structuur. Want het leven van straatkinderen is pure chaos. Regels kennen ze niet. Het feit dat ze een plek hebben waar ze gewoon in en uit kunnen lopen en waar ze op enkele aanspreekpunten kunnen rekenen, is al enorme stap in de goede richting.”

“Ik snap goed dat die jongens op zoek zijn naar een inkomen. En dat ze, bij gebrek aan een legaal alternatief, hun eigen overlevingsstrategie uitbouwen. Ze leven echt van dag tot dag. Het PAS is in Antwerpen hun enige terugvalbasis. Dat die werking nu naar een kelder moet verhuizen, is een ramp. De stad moet er iets aan doen of ze verliest deze jongeren weer aan de straat. Ik vrees dat het tijdelijke onderdak in de Prekersstraat de voorbode is van de opheffing van het project. Want er zullen uiteraard minder jongeren daar de Prekersstraat trekken. De kelder heeft geen daglicht, bestaat uit maar één enkele grote ruimte en biedt lang niet voldoende mogelijkheden voor een goede activiteitenplanning. Ik vind at de de stad zijn nek moet uitsteken. Als we niet oppassen, sterft het project een stille dood in een godvergeten kelder.”

Silke, een van de drie jeugdwerkers bij het PAS “Ik ben als vrouw tussen al die gasten niet bang. Maar af en toe moet ik op mijn tanden bijten. Ze proberen natuurlijk van alles: handtastelijk worden, uitdagen, noem maar op. Vorige keer ben ik voor het eerst in vijf maanden mee gaan zwemmen. Dat moment had ik zo lang mogelijk afgehouden, omdat ik wist dat ze niet van me af zouden blijven. Maar je kunt dat gedrag vrij goed inperken als je ze duidelijk maat dat je dat absoluut niet op prijs stelt. De jongens kennen trouwens in het algemeen weinig schroom. Ze masturberen zich in het openbaar en kunnen soms moeilijk van andere zwemmers afblijven.”

“Sommige dagen zijn ontzettend zwaar, maar ik blijf het graag doen. Omdat ik besef dat deze marginale gasten nergens naartoe kunnen. En dat wij de enigen zijn die hen bereiken. Ik haal er voldoening uit dat we ze leren voor het eten hun handen te wassen. Dat we ze verplichten de tafel af te ruimen. Dat ze meedoen aan een breakdancewedstrijd, daarvoor zenuwachtig zijn en voor een keer keurig op tijd komen. Dat een enkeling er af te toe in slaagt twee tot drie uur geboeid te zijn tijdens een knutselnamiddag. Dat zij die overal uit de boot vallen, bij ons toch een pied-à-terre gevonden hebben. En vooral dat ze niet de hele tijd op straat hangen, en door hun omgang met ons misschien die noodzakelijke lessen leren die nodig zijn om in onze burgermaatschappij gewoon te functioneren.”

Het interview met Rasim vond plaats in een kantoor van de Wolsack. Op het prikbord hangt een kleurenfoto van Kathy Lindekens, met daarbij de woorden: “Dit wordt de kindvriendelijkste stad van het land.” Onder die mooie woorden prijkt een grote zwartwitfoto van de Roemeense jongen Puia, wiens lijk twee jaar geleden versneden in een sporttas is teruggevonden. In de Wolsack is Puia nooit over de vloer geweest. Het werkelijke aantal straatkinderen is dus wellicht groter dan het aantal dat de weg naar het PAS heeft gevonden.